Boven

Ik zit op een bankje bij de tram, met mijn telefoon in mijn hand. Er komt een man naast me zitten. Hij kijkt me aan en begroet me. Ik begroet hem terug. Wat is dat toch leuk, denk ik meteen, als mensen elkaar begroeten op straat, of in dit geval op een bankje bij de tram. Ja weet u, er is bijna geen contact meer, zegt hij, gewoon dit, en hij wijst naar mij en naar hemzelf. Klopt, zeg ik. Ik kwam net een vriendin tegen op straat, vertel ik hem, die ik vier jaar niet had gezien. Dat was zo dierbaar, zeg ik, we hadden één minuut samen, want ze moest naar schiphol, maar dat moment samen is nu al mijn grootste kado van de dag. Hij vertelt dat hij geen mobiel heeft en ook niet aan internet doet. Vroeger waren er helemaal geen telefoons. Lastig voor te stellen, bedenk ik mij, terwijl mijn mobiel in mijn hand rust. Hij vertelt dat hij de post rondbrengt, dat hij 71 is en dat hij spaart voor zijn derde huwelijk. Wat leuk, zeg ik, dat je gaat trouwen. Ja, eind mei, op haar verjaardag. Wat is er gebeurd met je eerste twee huwelijken? Ik was manisch-depressief, zegt hij, mijn vrouw kon daar niet tegen. Bij mijn eerste huwelijk was het mijn schuld. Hoe gaat het nu dan met je, heb je nog steeds last van depressies? Hij vertelt dat hij al 15 jaar geen pillen meer slikt en dat hij nergens meer last van heeft. Maar ik kan zo’n Antonie Kamerling heel goed begrijpen, ik ben ook weleens het water ingelopen. Ik heb wel acht keer in het ziekenhuis gelegen. Hij vertelt over zijn drie kinderen. Ik vind het jammer dat er een einde aankomt, zegt hij. Ben je bang voor de dood, vraag ik. Nee, niet bang, zegt hij, maar ik zou hier nog wel wat langer willen blijven. Maar wie zegt dat de dood het einde is, vraag ik, misschien kom je wel terug. Hij kijkt me onderzoekend aan. Voor mij is de dood niet het einde, zeg ik, ik kom gewoon weer terug. Waar ga je naartoe dan, vraagt hij, als je dood bent. Ik ben even stil. In ieder geval naar boven, en ik wijs richting de wolken, naar een hele mooie plek. Dat kan toch niet, met zo’n lichaam, dat vliegt niet hoor. We moeten samen lachen. Dit is een omhulsel zeg ik, en ik wijs naar mijn lichaam, dat gaat ook niet mee. Ik ben een ziel, zeg ik. Dus wie weet komen wij elkaar in een volgend leven weer tegen, dat zou leuk zijn, toch? Hij begint weer te lachen. In de verte komt tram 10 eraan. Moet je ook met de tien, vraag ik. Nee, ik wacht op de zeven, antwoordt hij. Ok, dan ga ik je gedag zeggen en ik sta op. We kijken elkaar aan, nemen afscheid en ik stap de tram in. Ik kijk hem nog even aan en dan zegt hij: misschien zien we elkaar boven, en hij wijst met zijn vinger naar de lucht. Ik kijk hem lachend aan. Hij is mijn andere grootste kado van de dag.

door
Vorige blog Volgende blog

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

0 shares