Eigenwijze opa

“Ben je blij dat je er nog bent?” Ik zit in de tuin bij mijn ouders en mijn vader zit tegenover mij, met een grote zonnehoed op. Hij is inmiddels weer thuis en is blij dat hij verlost is van de vier muren van zijn ziekenhuiskamer. Hij leest de kaarten en brieven die hij gekregen heeft van een vriendin van mij en haar kinderen. Mijn oog  valt op de kaart van haar dochter, die in mijn ouders een derde paar opa en oma heeft gevonden. Voor kinderen is die strikte scheidslijn die wij volwassenen hanteren in wat hoort en wat kan ver te zoeken. Ze schrijft op de kaart dat ze van mijn vader houdt en noemt hem ‘eigenwijze opa’. Het raakt me. Het zijn woorden die ik zelf niet snel zou schrijven. Of misschien wel, maar heb ik mezelf gaandeweg in mijn leven een censuur opgelegd in wat ik wel en niet kan zeggen, en in dit geval schrijven.

Herken je dat, dat je iets wil zeggen wat spontaan in je opkomt, maar dat je het niet zegt, omdat je hoofd denkt dat je het niet mag zeggen? Dit kan zijn omdat het niet gepast is, omdat je de ander pas net kent, omdat je wellicht een reactie krijgt of omdat het niet is wat de ander wil horen. Ons hoofd heeft veel redenen paraat staan, waarom we iets niet zeggen of schrijven. Mijn eigen censuur is al een stuk minder, vergeleken met vroeger. Steeds meer heb ik mezelf de ruimte gegeven om te zeggen wat er door mij heen komt, en vooral ook woorden van waardering. Het is makkelijk om dat wat er niet klopt of anders zou mogen aan een ander uit je mond te laten rollen, maar het zijn juist die ‘ik houd van jou eigenwijze opa’ woorden die we vaak weer inslikken. Ook online merk ik nog af en toe dat er spontaan iets in me opkomt als reactie op bijvoorbeeld een Facebook post. Een gevoel, een idee, een inzicht of een mening. Plaats ik mijn reactie, ook als die indruist tegen alle andere reacties? Blijf ik bij wat ik voel en spreek ik de woorden die vanuit dat gevoel naar buiten willen komen?

Ik kijk naar mijn vader en geniet van het korte moment dat we samen zijn. We kletsen een beetje, en soms zijn we stil. We zijn beide blij dat hij er nog is. Dat is mooi om uit te spreken, maar ik ervaar ook steeds meer dat woorden niet altijd nodig zijn. Woorden zijn niet de voornaamste vorm van expressie. We zeggen veel meer met onze mate van aanwezigheid, hoe we zitten, hoe we met onze ogen ontvangen en hoe we ons voortbewegen. Hiermee zeggen we meer dan met woorden. Heb je al gewandeld vandaag, vraag ik aan mijn vader. Iets later lopen we met z’n drietjes een kort rondje door het park. Dat is nog steeds een van mijn favoriete manieren om te communiceren met anderen: samen wandelen. Vanuit de beweging komen de woorden die er gesproken mogen worden, zonder dat mijn hoofd er tussen komt. En soms kan je ook gewoon stil zijn, genietend van de omgeving met al die details die we vaak over het hoofd zien.

door
Vorige blog Volgende blog

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

0 shares